Wordfeud28 oktober 2011
Vrienden hoorde ik er wel eens over praten. Op een verjaardag kreeg ik zelfs uitgelegd hoe het werkt. Ze drukten me een Android-telefoon onder de neus en ik zag een digitaal Scrabblebord. Wordfeud. Snel tikte ik een briljant woord in en gaf de telefoon weer aan de rechtmatige eigenaar. Niet teveel in verdiepen. Proeven en verder voor de eer bedanken. Portie aan Fikkie, dat soort werk. Kijken, maar vooral niet kopen.
In gedachten zag ik me al nachtenlang Wordfeuden. Niemand zo verslavingsgevoelig als ik. De uren die ik heb besteed aan nutteloze computerspelen als Championship Manager zijn niet te tellen. Laat er een uurtarief op los en ik ben miljonair. Ooit kon dat best. Geen gezin, geen grote verantwoordelijkheden en een werkgever die het prima vond dat ik een uur of tien eens ter burelen verscheen. Een droomleven voor een twintiger, een tikkie tragisch voor een vroege veertiger. Daarom hou ik Wordfeud buiten de deur. Om niet terug te vallen in oude zondes.
Na een lunchpauze ging het mis. Meerdere tafelgenoten bleken te Wordfeuden. In een zwak moment gaf ik toe aan mezelf. Ik installeerde de app. Twee uur later speelde ik Wordfeud met veertien mensen, legde ik het ene geniale woord na het andere op het bord en klonken de piepjes van de Galaxy me als muziek in de oren. Ik speel Wordfeud op de bank, op de wc, aan tafel, in bed en in de auto. Ik geef het maar toe: onlangs zette ik mijn bolide aan de kant om een woord te leggen. Ik Wordfeud me helemaal gek. Dat mijn relatie niet ernstig onder druk staat, heeft slechts één reden: mijn vriendin wordfeudt zich ook suf.